Jules Soesman

Naam

Jules Soesman

NIWOverlijdensbericht van Jetta Soesman-Goldstein in het NIW van 15 augustus 1919 (bron: Delpher).

6-10-2017Legging van Stolpersteine bij Bergstraat 9 op 6 oktober 2017 (foto: Wil Brassé).

Geboren

20 december 1873 te Sittard

Gedeporteerd

9 april 1943 naar Vught overgebracht, op 8 mei naar Westerbork en op 11 mei 1943 naar Sobibor gedeporteerd

Vermoord

14 mei 1943 te Sobibor

Adres

Bergstraat 3 (nu 9), Sittard

Familie

zoon van wijlen Karel Soesman en Jetta Goldstein; broer van Alphons, Sophia en Louis Soesman; echtgenoot van Mathilde Kahn; vader van Elsa Metz-Soesman

Achtergrond

De familie Soesman woonde al vanaf 1687 in Meerssen. Karel (Charles) Soesman uit Meerssen trouwde in 1872 met de Sittardse Jetta Goldstein (een tante van Wilhelmina en August Goldstein). Zij vestigden zich in Sittard, aanvankelijk bij de familie Goldstein op de Putpoort, en kregen vier kinderen: Alphons, Jules, Sophia en Louis.

Later verhuisde het gezin naar de Nieuwstraat 303/337 (waarschijnlijk de locatie waar nu frituur Pam Pam is gevestigd). Vader Karel was veekoopman, wellicht gespecialiseerd in springstieren; in mei 1890 won hij daarmee een tweede prijs op de veetentoonstelling in Maastricht.

Zus Sophia Soesman trouwde in 1899 met een Maastrichtenaar en vertrok naar Maastricht. Broer Alphons trouwde in 1903 eveneens met een Maastrichtse, Sara Josephina Beesman. Zij trok in bij de familie Soesman, en in 1904 werd hun zoon Charles geboren.

In 1907 trouwde Jules, en ook zijn bruid Mathilde Kahn trok bij de familie in; in 1908 kregen zij een dochter, Elsa. De jongste broer Louis was in 1894 naar Aken vertrokken, maar keerde via Keulen in 1907 weer terug naar het ouderlijk huis. Als tiende persoon woonde nog een dienstmeid bij de familie in: Maria Gertrudis van Peij uit Limbricht.

Wellicht was het huis op de Nieuwstraat wat vol geworden. De kleine Charles verhuisde in september 1909 naar zijn grootouders Beesman in Maastricht. Hij keerde terug in september 1912, toen zijn ouders naar de Putstraat waren verhuisd.

Grootvader Karel Soesman overleed in 1913 te Sittard; oma Jetta trok daarna in bij haar dochter Sophia in Maastricht, waar ze in 1919 overleed. Jules verhuisde met zijn gezin naar de Bergstraat. Louis Soesman, de jongste broer, was handelsagent. Hij trouwde in 1921 te Groenlo en kreeg een dochter en een zoon in Duitsland.

Jules was koopman en commissionair in varkens. Verdere bijzonderheden over hem zijn niet bekend. Dochter Elsa werd hulp in de huishouding. Zij vertrok in oktober 1938 voor een half jaar naar Den Haag. Toen kwam ze voor een jaar weer bij haar ouders wonen, om in juli 1939 naar Amsterdam te verhuizen. In april 1942 trouwde ze daar met een achterneef, Siegfried Matthijs Metz. Hij was reparateur van etalagefiguren en geboortige Amsterdammer, maar zijn moeder was een Soesman uit Valkenburg.

In 1941 woonde enkele maanden Irma Laura Gerechter bij Jules en zijn vrouw in. Zij was een joodse vluchtelinge uit Duitsland. In februari 1943 werden broer Alphons en zijn vrouw gedwongen hun huis in de Putstraat te verlaten en bij Jules en Mathilde in te trekken. Krap twee maanden later kwam de oproep zich te melden in Kamp Vught. Het viertal gaf hieraan gevolg. Ze verbleven een maand in Vught en werden toen via Westerbork gedeporteerd naar Sobibor, waar ze bij aankomst zijn vergast.

Zus Sophia Samuel-Soesman en broer Louis Soesman en hun partners overleefden de oorlog. Een dochter en kleinzoon van Sophia overleefden eveneens, en een dochter en zoon van Louis; die laatste emigreerde naar Israël en kreeg vier kinderen.

Link

Digitaal Monument

Literatuur

-

Motief vervolging

joodse afkomst